
Untitled Document
|
 |
 |
 |
 | Interview |
| | In 1983 debuteerde ze met de alom geprezen verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek. Met boeken als Het rookoffer, Isabelle, De tweeling en Een bed in de hemel bewees Tessa de Loo dat ze geen eendagsvlieg is. In een restaurant vlakbij het Jardin des Plantes in Pa r i j s vertelt ze over de noodzaak van schrijven, slechte kritieken en haar nieuwste boek: De zoon uit Spanje.
Door Machteld Stilting
|
| |
|
| | |
Op de ochtend van onze ontmoeting gaat Parijs schuil onder een dik wolkendek. De regen zorgt ervoor dat we de vele terrassen in de omgeving wel van onze lijst kunnen schrappen. Verder krijgen we het idee dat echt iedere Parijzenaar er die dag voor heeft gekozen in de directe nabijheid van het Jardin des Plantes te lunchen. Dit maakt het vinden van een vrije stoel al tot een prestatie, laat staan drie vrije stoelen en een tafel voor de lunch. Tessa de Loo is er niet van onder de indruk. Ze stelt voor eerst ergens een glas wijn te drinken en later terug te komen. Een initiatief waaruit blijkt dat het Zuid-Europese leven, waarvan ze al sinds 1994 deel uitmaakt, zijn invloed op haar laat gelden. Tien jaar geleden koos Tessa de Loo ervoor Nederland te verlaten en zich te vestigen in het zuiden van Portugal. Vanwege het prachtige landschap, haar behoefte aan ruimte en natuurlijk het klimaat. Maar ook vanwege de aard van de Portugezen: zacht, melancholiek en ontspannen. Mensen die, zo vertelt ze, ‘nog de tijd nemen om te genieten van de gewone dingen in het leven’. Behalve in Portugal woont Tessa de Loo ook in een dorpje vlakbij Parijs. Ze is daar dicht in de buurt van haar zoon, die twee dorpen verderop woont, en kan daarvandaan ook de contacten met haar familie en vrienden in Nederland gemakkelijker onderhouden.
Bardo, de hoofdpersoon in De zoon uit Spanje, is, net als u, Nederland ontvlucht. Is Nederland niet leuk genoeg? "Dat zou ik niet willen zeggen. Maar als kind droomde ik al van andere landen. Vooral van bergen. Ik heb altijd het gevoel gehad dat er iets ontbrak aan de geografische gesteldheid van Nederland. Een landschap moet gewelfd zijn, vond ik. Al voordat ik het echt gezien had, wist ik dat ik daarvan hield. Mijn eerste contact met het buitenland was net over de grens bij Kleef, waar mijn tante woonde. Daar heb je het Reichswald, een heuvelachtig gebied. Ik weet nog dat dit een grote opwinding bij me teweegbracht. Ik ben altijd erg nieuwsgierig geweest naar andere volkeren. Andere talen, andere muziek, ander soort eten. Alles wat anders was dan Nederlands. Het liefst zou ik aldoor op reis zijn. Daar gaat voor mij een ongelooflijke bekoring van uit. Ik zou eigenlijk over een x-aantal levens willen beschikken en dan in al die levens in een ander land willen wonen. Om te weten hoe het is. Overigens is dat verre van eenvoudig. Je wordt heel erg op jezelf teruggeworpen. De taal leren, je aanpassen in zo’n totaal vreemde cultuur, het is een uitdaging, maar óók moeilijk. Lees Een zakenlunch in Sintra van Gerrit Komrij en je snapt wat ik bedoel. Ik heb ook wel momenten gehad – en soms nog wel – van totale vervreemding. Dan verlang ik ontzettend naar Nederland. Dat heeft ook erg met de taal te maken. Het is een warm bad als ik in Nederland kom. Iedereen spreekt mijn taal. Taal is natuurlijk ook mijn gereedschap."
Is het niet lastig om in het buitenland te wonen en in het Nederlands te schrijven? "Ik werk altijd ’s morgens en daarna eet ik met een Braziliaanse die voor mij de lunch maakt. Dan ben ik een paar uur heel intensief met mijn eigen taal bezig geweest en moet ik ineens Portugees spreken. Over koetjes en kalfjes. Dat is heel genoeglijk, maar het kost ontzettend veel energie. Ook omdat ik me nooit zo kan uitdrukken in een andere taal als in het Nederlands. Het is heel moeilijk om jezelf met ironie uit te drukken in een andere taal. Het klinkt meteen zo honderd procent serieus. Nuances aanbrengen, dat is moeilijk. Dat is het grootste offer dat ik moet brengen, het zwaarste aspect van in het buitenland wonen. Als je met een Nederlander praat die een beetje op dezelfde golflengte zit, heb je aan een half woord genoeg. Dat is heerlijk. In een andere taal staat er iets tussen mij en wat ik zeg. Dat blijft een barrière."
Isabelle speelt zich af in Frankrijk, De tweeling is deels in Duitsland gesitueerd, Een varken in het paleis beschrijft een reis door Zuid-Albanië. Vormen andere landen een belangrijke inspiratiebron? "Ja. Dat is eigenlijk met De tweeling begonnen. Ik was in die tijd veel in Duitsland, bij vrienden, en raakte gefascineerd door dat land en zijn geschiedenis. Ik heb toen veel mensen gesproken. Ik ben zo kameleontisch dat ik er helemaal in duik. Ik begin me bijna een Duitser te voelen. Daarna volgde Een varken in het paleis. Dat kwam voort uit mijn interesse voor de Engelse dichter Lord Byron, die in 1809 door Albanië trok."
En u was in Spanje toen u op het idee kwam voor De zoon uit Spanje? "Dit boek is eigenlijk heel anders ontstaan. Het grootste deel is aan de fantasie ontsproten. Dat gaf me een enorme vrijheid. Bij De tweeling had ik te maken met een enorme hoeveelheid stof en historische feiten. Dat is een gemak, maar ook een ballast. Nu had ik het helemaal zelf in de hand. Op de figuur van Bardo na. Die is getekend naar iemand die in de werkelijkheid leeft en in het zuiden van Europa rondzwerft. Ik heb hem ergens ontmoet en hij frappeerde me. Met zijn onorthodoxe manier van leven, zijn levensopvatting. Er ging een bepaalde charme van hem uit. Hij heeft een soort bekoorlijkheid, die natuurlijk deels voortkomt uit zijn leefwijze. En hij is, net als Bardo, in geen dertig jaar in Nederland geweest. Toen ik hem ontmoette, dacht ik: stel dat hij nu eens om dwingende redenen terug zou moeten naar Nederland, terug zou komen in zijn familie, hoe zou dat zijn? Ik vroeg me af wat er zou gebeuren als zo iemand ineens geconfronteerd wordt met hoe het in Nederland is. Dat contrast, daar liep ik over te denken. En dat contrast komt natuurlijk voort uit mezelf. Ik ben al zo lang uit Nederland weg. Als ik terugkom, bij vrienden en familie, dan val ik zo maar ergens middenin en vallen me bepaalde aspecten van de Nederlandse samenleving op. Daarom sprak die figuur me ook zo aan."
Afgunst, de dood, stervensbegeleiding, gemiste kansen, echte liefde. Het zijn allemaal thema’s die in het boek aan de orde komen. Maar dat contrast dat u net beschrijft, lijkt het hoofdthema. "Ja. Die vreemde, wat exotische, kleurige vogel, die daar zomaar in een Nederlandse huiskamer binnenvalt. Wat zich daar afspeelt, op de laatste verjaardag van de vader, staat symbool voor een aantal aspecten van de Nederlandse samenleving. En die vreemde vogel staat symbool voor het vrijheidsbegrip. Voor ongebondenheid, het laissez faire. Ook voor creativiteit, omdat hij iedere dag weer moet improviseren hoe hij de dag zal inrichten. Niets ligt van tevoren vast. In tegenstelling tot Nederland, waar de meeste mensen toch een leven hebben dat tamelijk voorspelbaar is. Dat wilde ik tegenover elkaar zetten."
Is die familie in het boek een weerspiegeling van de Nederlandse maatschappij? "Nou, ik kan natuurlijk niet de hele Nederlandse maatschappij in één familie vangen. Maar ik heb wel geprobeerd om een aantal aspecten mee te nemen. De oudste zoon staat voor de enorme groei-economie van Nederland en de andere voor het glossy ideaal, het blitse leven. En de dochter, de psychotherapeute, staat voor de hele verpsychotherapeutisering van de Nederlandse maatschappij. Als je een slechte dag hebt, ben je meteen depressief. Alles heeft meteen een naam. Ben je moe, dan ben je burned-out. Het is een beetje lachwekkend, maar tegelijkertijd moet je ook inzien dat er inderdaad veel mensen zijn die aan het eind van hun Latijn zijn. En als je als psychotherapeut niet genoeg afstand kunt nemen, zoals mijn personage, dan heb je het moelijk.”
Voordat we te veel van de inhoud prijsgeven, even terug in de tijd, naar het begin van uw schrijverscarrière. U was 36 toen De meisjes van de suikerwerkfabriek verscheen. Tegenwoordig zijn debuterende schrijvers in de regel een stuk jonger. "Het leven was vroeger gewoon anders dan nu. Ik trouwde jong en werd jong moeder. Ik moest mijn studie nog afmaken. Tussendoor gaf ik ook nog les. Jarenlang ben ik helemaal niet met het idee van schrijven bezig geweest. Meer met het leven zelf. Ik ben grootgebracht met het idee dat een diploma een soort levensverzekering is. Als ik dat niet zo serieus had genomen, was ik waarschijnlijk naar de kunstacademie gegaan. Maar omdat mijn ouders me een hongerbestaan voorschilderden, ben ik Nederlands gaan studeren."
Maar op een gegeven moment kwam dus toch het schrijven. "Dat kwam later pas. Ik was in die tijd verworden tot wat je nu een ‘eenoudergezin’ zou noemen en moest dus de kost verdienen. Maar ik kon geen baan vinden en belandde in de bijstand. Ik woonde in een oud huis in Noord-Groningen. Het dak lekte aan alle kanten, overal stonden pannetjes. Achteraf gezien was het echt armoede; we konden niet eens naar de tandarts. Ik moest in die tijd ook mijn afstudeerscriptie schrijven. Die ging over de aard van de ironie bij Gerard Reve. Ik kwam er niet uit en ben eigenlijk een verhaal gaan schrijven om aan die scriptie te ontkomen. Toen het af was, heb ik het naar Maatstaf gestuurd, een literair tijdschrift dat verbonden was met de Arbeiderspers. En op een dag lag er een brief op de mat. Of ik niet eens wilde komen praten. Ik was verrukt. Dit was voor mij de escape."
Eigenlijk uit nood geboren dus. "Min of meer wel, ja. Er hing veel van af. Ik was ongelooflijk zenuwachtig voor dat gesprek. Kreeg een kop koffie aangeboden, maar mijn hand trilde zo dat ik die niet eens naar mijn mond kon krijgen. Die redacteur vroeg of ik nog meer verhalen had liggen voor een bundel. Ik kon natuurlijk niet zeggen dat ik verder niets had. Dus ik antwoordde dat ik misschien ergens nog wel iets had liggen, maar dat ik daar nog wel heel kritisch naar moest kijken. Moest ik thuis ineens nog vijf verhalen schrijven. Ik wist helemaal niet of ik het nog een keer kon! En nog een keer, en nog een keer. Gaan schrijven is een sprong in het diepe. En om er dan ook nog je geld mee te verdienen… Zo’n negentig procent van de schrijvers lukte het niet. Maar ik had zo genoeg van die studie dat ik dacht: ik móet het gewoondoen. En toen werd ik meteen geconfronteerd met een aspect van het schrijverschap, namelijk dat je móet schrijven, omdat de uitgever iets van je verwacht. Maar op een of andere manier is het gelukt."
En het boek werd een groot succes. Werkt dat nu als een blokkade of geeft dat juist energie? "In het begin moedigde het me aan. Maar later, als je de eerste slechte recensies hebt gehad… Blokkade is een groot woord, maar slechte recensies vind ik verschrikkelijk. Je hebt het boek net af en bent dan erg gevoelig voor kritiek. Ik kan een negatieve recensie wel aan, als blijkt dat iemand oprecht geïnteresseerd is in wat je doet. Maar als je merkt dat iemand het boek van begin af aan geen kans heeft gegeven, dan is dat kwetsend. Inmiddels lees ik ze niet meer. Ja, jaren later pas. Dan is er meer afstand. Ik vraag aan de uitgever wel hoe de teneur is. Die zegt me dan hoe de vlag erbij hangt. Het is een aspect waar je als schrijver mee moet kunnen leven. Ook succes heeft zijn schaduwkant. De tweeling is een toegankelijk boek; schrijf je daarna iets wat minder toegankelijk is, dan zijn veel lezers teleurgesteld. Maar het is mij onmogelijk steeds eenzelfde soort boek te schrijven."
Het is inderdaad moeilijk om een etiketje op u te plakken. Een reisverhaal, een thriller, twee boeken over de oorlog, een sociaal geëngageerd boek… "Ja, ieder boek is anders. Ik ben op een gegeven moment gefascineerd door een bepaald thema en vandaar uit dient zich een vorm aan. Zo heeft Een bed in de hemel een veel kleinere groep lezers gevonden. Veel mensen hadden daar moeite mee. Mijn zoon is voor mij een goede indicatie. Die vertegenwoordigt eigenlijk het grote lezerspubliek. Hij vond Een bed in de hemel te geconstrueerd. De tweeling vond hij wel mooi. Ik weet het nog goed: ik logeerde bij mijn moeder toen ik het laatste hoofdstuk aan het uittypen was. Mijn zoon ook. Beide stortten zich op alle velletjes die uit de machine kwamen. Mijn zoon was eerder begonnen met lezen en lag dus ook steeds een beetje voor op mijn moeder. Wat hij uit had, ging naar mijn moeder. Soms kibbelden ze om een pagina. Dat was voor mij een teken dat het de lezers wel zou boeien. Hij heeft De zoon uit Spanje stiekem gelezen. Ik had hem gevraagd het manuscript uit te printen, omdat ik hier in Frankrijk geen printer heb. Hij reageerde er net zo op als op De tweeling. Dat is misschien goed voor de lezers, maar minder voor de kritiek. We zullen zien. Ik weet het zelf nooit. Toen ik Het varken in het paleis had geschreven, dacht ik: dit is het boek der boeken. Een mooie mengvorm van reisboek en essay. Lezers komen wat te weten over Lord Byron en over de situatie op de Balkan. Ik dacht dat iedereen daar op zat te wachten. Niet dus. Ik heb zelf nooit enig idee hoe het zal zijn voor de lezer."
Hebt u zelf eigenlijk een literair idool? "Toen ik zeventien was, was dat Françoise Sagan. Ik was diep onder de indruk van Bonjour tristesse. Zij was maar twee jaar ouder dan ik toen ze hier in Parijs bij een uitgever naarbinnen liep en achteloos het manuscript op zijn bureau deponeerde. Het werd een groot succes. Dat wilde ik natuurlijk ook. Ik heb toen talloze aanzetten geschreven tot een soort Bonjour tristesse, maar al na een paar bladzijden merkte ik dat ik geen Françoise Sagan was. Nu heb ik steeds wisselende voorkeuren voor bepaalde schrijvers. In Portugal boeit Lobo Antunes me op het moment. Die weet als geen ander de Portugese realiteit weer te geven, in een bijna hallucinerende stijl, waarbij hij op veel zere tenen gaat staan. Bijvoorbeeld in zijn Handboek van de inquisiteurs. Hier in Frankrijk ben ik weer in de ban van George Perec: Het leven een gebruiksaanwijzing. Je moet even wennen aan zijn lange, breedvoerige beschrijvingen, die ogenschijnlijk willekeurig zijn, maar toch een eigen logica hebben. Hij heeft een haast maniakale voorkeur voor voorwerpen en feiten."
En wat Nederlandse schrijvers betreft? "Arnon Grunberg lees ik graag. Hij is een meester in het bizarre en absurde. Het verwachtingspatroon van de lezer wordt voortdurend doorbroken. De hoofdpersonen zijn ontroerend en hilarisch tegelijk. Dat aanstekelijke mengsel van humor en tragiek – ik probeer te ontdekken hoe hij dat doet."
Kunt u uitleggen wat er zo mooi is aan het schrijversvak? "In de eerste plaats is het iedere dag een uitdaging. Je moet iets maken wat er voorheen niet was, als was je de plaatsvervanger van God op aarde. Je creëert leven. En alles moet kloppen. In de tweede plaats kun je alle ervaringen die je opdoet, dag in dag uit, een plaats geven. Iedere dag maak ik dingen mee waarvan ik denk: dit is zo gek, zo absurd of zo erg, hoe moet ik dit in mijn bestaan inpassen? Als schrijver heb je een mogelijkheid om daar wat mee te doen. Als ik die niet had, zou ik me denk ik geen raad weten.”
|
|
|
 | Tessa de Loo bij 'Opium' |
| | | Op zondag 19 september j.l. had het AVRO radioprogramma 'Opium' een vraaggesprek met Tessa de Loo. Op de website van dit programma kunt u dit interview beluisteren. |
| |
|
|
|
 |
 |
 |
 |
|
|