1.
Je zei: ‘Er zijn cafés in de straat, laten we daar eens naar toe gaan.’
Het was een onbekende buurt in een stad waar ik wel eens in winkels had geneusd. Mijn moeder op zoek naar mooie kleren die toch goedkoop zijn en ik naar plekken waar ze videogames verkopen.
We liepen langs spiegels, voorbij het grofvuil. We zagen de reflectie van onze eigen benen en dat was tof. Het kon zo in een videoclip. Ik keek om me heen en probeerde de indrukken zo goed mogelijk in me op te nemen en vast te leggen, als het beste fototoestel van Nederland.
Dit was het dan. Mijn nieuwe leven was begonnen.
Als ik mijn Game Boy bij me had gedragen, dan had ik hem nonchalant achter me gegooid, want ik had hem niet meer nodig. Ik zag het grijze ding kletteren: het Dit Matrix scherm schoot los, zoals het van ouderdom vanzelf losging, het ketste tegen de straat en vloog omhoog, de klep van de batterijen vloog eraf, en de batterijen zelf, die doken erachteraan. Ik sprong erop. Krak, net als Mario dat doet om met zijn opponenten af te rekenen. In een flits was de kapotte Game Boy een blauwe schildpad met stekels; ik stelde me voor hoe ik erop landde, hoe de stekels zich een weg baanden door mijn schoenzolen en hoe ik het leven liet. Je moet het een keer meegemaakt hebben voordat je ze de volgende keer kunt ontwijken. Je kunt dan rustig een andere strategie bedenken. Zo sterk zien die beesten er niet uit, er moet een manier zijn om met ze af te rekenen zonder stekels in je zolen te krijgen. Het denkbeeldig gebroken plastic liet ik achter me.
Ik probeerde je hand te pakken, maar dat stond je niet toe. Je vond dat stom, meer iets voor kinderen, of voor moeders met kinderen. Ik tuurde om me heen, hield onder mijn linkerarm een grote doos. Daar zat een Super Nintendo in. Die was anders dan de gameboy. Dierbaar, kostbaar, het nieuwste van het nieuwste of toch zeker pas drie jaar oud, iets om nog wat beter over na te denken voor ie zonder pardon in de goot werd geworpen of in de gracht, tussen de brokken piepschuim en de half gezonken boten.
Je bleef stilstaan, we waren gearriveerd. Het was een laag huis, steegje erlangs, veel hogere flats in de nabije omgeving. De meeste bomen hadden geen bladeren meer, een kille wind joeg door de straten.
Ik keek om me heen, op zoek naar symbolen die iets konden vertellen over de afloop van mijn avontuur. Een cartridge in mijn kartonnen doos viel om, zodat ik het label kon zien. Final Fantasy, een avontuurlijk rollenspel. Niet mijn favoriete soort videogame. Eentje met gevechten die om beurten voert met de computer, via menu’s. Meestal heb ik geen zin ze uit te knokken, maar als je wegrent krijg je geen ervaringspunten en wordt je virtuele personage niet sterker.
‘Hand in hand loop ik wel met mijn oma,’ zei je.‘Gooi jouw spullen maar bij de mijne,’ zei je, ‘het zijn nu onze spullen.’
Zo begon het. We gooiden onze spullen bij elkaar op het bed. Onderbroeken door elkaar, sokken door elkaar, jouw maandverband bij mijn scheerapparaat, mijn T-shirt bij jouw oranje broek, tandenborstels niet te onderscheiden want ze waren allebei groen. Dat was een van de dingen waarom we zeiden dat we bij elkaar pasten, dat we dezelfde tandenborstel hadden. Hoeveel mensen kopen hun tandenborstel in dezelfde kleur?
Ik zei: ‘Ik doe toch nooit jouw onderbroeken aan? Waarom zouden we onze onderbroeken bij elkaar gooien?’
‘Het is belangrijk dat alles van ons samen is,’ stelde je. Je moest lachen.
Het bed was groot, of misschien leek het groot, omdat de kamer zo klein was. Er was een boekenkast, omgedoopt tot klerenkast, er was een raam, er was een straalkachel, er was een klein nachtkastje. Als je tussen de deurposten door wilde, moest je over het nachtkastje heen stappen of over het bed, samen versperden ze de weg. We hadden de deur eruit getild, omdat het bed er anders niet doorheen ging, maar we hebben hem nooit teruggehangen. Je zei dat het zo ruimtelijker was. Ruimtelijk, een bijzonder groot woord voor ons nieuwe huis. Bij ruimtelijk denk ik aan een grote balzaal met een kroonluchter, een omringende balustrade en prachtige marmeren trappen.
Huis, ook dat was niet het goede woord voor ons huis. Het was hoogstens een kamer. Zo ging het toen je me vroeg of ik met je wilde samenwonen:
- Ik was bij je in de studentenflat.
- Je vertelde over een tante van een vriendin die een verdieping overhad.
- Verdieping, ook al zo’n groot woord voor ons huis.
- Het was wel in een andere stad, maar jij kon daar wel werken, je wilde vooral schrijven. En ik had toch ook eigen dingen?
- Het ging snel, ik grapte dat ik alleen met je meeging als mijn Super Nintendo ook mee mocht. Alsof het een soort knuffel was.
- Eigenlijk dacht ik: waarom ik? Wat ziet ze in mij? Nu al?
- En: gaan we dan ook vrijen?
De vloer kraakte en piepte op sommige plekken. Hij was van hout, kastanjebruin geverfd maar op de populairste looproutes was de lak eraf geschuurd. Het was duidelijk dat er hier niet altijd een tafel had gestaan, want de vloer onder de tafel was zelfs helemaal kaal. Je schoenen gleden er stroef overheen.
‘Kaal,’ zei ik om dat te illustreren.
Je meende dat de mevrouw beneden, de tante van je vriendin, iedere beweging kon horen. Vervelend, want ze was oud en soms wilde ze slapen.
Ik nam me voor om van die stoffen tegels te leggen, die geluid tegenhouden. Ze zijn ook warm aan je voeten. Als je ze gaat leggen, zijn de randen van de kamer het moeilijkst. Daarvoor moet je snijden met een stanleymes, precies de vorm van het keukenkastje bijvoorbeeld. Ik had het nog nooit gedaan, maar ik gíng het wel doen, zoveel wist ik zeker.
We deden alsof we getrouwd waren, maar je zei: ‘Ik wil nooit trouwen.’
Je zei het niet toen we de spullen op het bed gooiden, maar je hebt het een keer gezegd. Je had veel idealen zoals nooit trouwen. Nooit dode of levende dieren eten, nooit boeken lezen van John Irving en nooit van die slippers dragen met een plastic verbindingstukje tussen duimteen en wijsteen. Niet vanwege de blaren, maar vanwege de ouderwetsheid.
Ik liep terug naar de andere kamer. Er stond een kartonnen doos op de tafel, naast de Nintendo en een plastic tas van de Spar met een pak melk, wc-papier en een half gesneden bruin. Ik maakte de doos open en haalde er een kleine tv uit.
Je volgde me naar de kamer, je hand gleed langs mijn rug, je kroop onder de tafel. ‘Er is geen aansluiting voor de kabel,’ zei je. ‘Wel twee stopcontacten.’
De stekkers van de apparaten liet ik langs de muur naar beneden zakken. Jij sloot ze aan, ik zag een klein blauw lichtflitsje langs het grauwe behang omhoogschieten nadat het metaal van van de stekker het inwendige van de stekkerdoos voor het eerst beroerde.
‘Er is een stuk van de tafel afgezaagd,’ zei je, met je hoofd onder de rand vandaan. ‘Er zijn twee nieuwe poten aan vastgeschroefd.’ De kamer was zo klein dat er in het verleden rigoureuze methodes waren toegepast.
Er was een klein raampje aan de andere kant, boven het aanrecht. Een boom vormde het uitzicht, de blaadjes aan de takken aaiden langs de muur aan de overkant. Ik keek of er daar ook een raampje zat zoals het onze, maar het was buiten te donker om het te kunnen zien. Boven de tafel hing een bruine lampenkap, een bekend ontwerp uit de jaren vijftig, maar zulke werden nog steeds gemaakt volgens jou. Ik weet weinig van lampen, maar deze deed z’n werk. Er was licht in ons nieuwe huis.
Ik maakte de koelkast open en zette de melk erin.
De deur raakte de tafel net niet als hij helemaal geopend was.
Je kwam naast me staan.
‘Het stinkt naar schimmel,’ zei je, naar het kastje tegen het plafond wijzend.
Ik kuste je op je wang.
Je deed een schoen uit, je zei: ‘We moeten onze schoenen uitdoen en buitenzetten. Dan wordt de vloer niet vies.’
Mijn schoenen waren ooit zwart geweest, nu een versleten soort grijs. Er zat een ronde veter doorheen gelust, op één plek gebroken geweest, hersteld met een dikke knoop.
Ik heb nooit gezegd dat ik perfect ben, maar ik ben wel erg goed in het mij ontdoen van schoeisel. Met de punt van de ene schoen duwde ik tegen de hiel van de andere tot ’ie losschoot. Daarna trapte ik met mijn blote sok de laatste schoen uit. Die rolde ondersteboven in de richting van de tafel, waardoor hij niet langer het geheim verborg van een enorme scheur in de zool.
‘Met een scheur loopt het lekkerder,’ zei ik.
Je knikte. ‘Schoenen zonder scheuren kun je eigenlijk geen volwaardige schoenen noemen.’
De deur naar de trap was smal, er zat een bronskleurige knop op, geen slot en zo’n klikkend magneetje. Zodra ik de deur openzwiepte, stroomde de koude lucht in een onverwachte vlaag naar binnen. Het tochtte in het halletje. Snel zette ik onze schoenen op de bovenste trede en sloot de deur achter me.
‘Vandaag blijf ik binnen,’ zei ik.
Het was buiten veel te koud om leuke dingen te doen, zoals wandelen of nadenken, of tegelijkertijd wandelen en nadenken. Als je wandelt kun je een stuk beter nadenken. Zo kent het lichaam nog veel meer geheimen.
En dus bleven we binnen.
‘Waarom gooi je dat scheerapparaat niet weg?’ riep je vanuit de slaapkamer. Je zat op bed en legde spullen in de boekenkast.
‘Voor als ik geen baard meer wil,’ zei ik, terwijl ik een gat maakte in de plastic verpakking van het wc-papier en een rol pakte.
Achter een deur was een toilet, voorbij de tafel en voorbij het aanrecht. In de spiegel keek ik naar mezelf, ik probeerde wat van de viezigheid in de asbak met mijn vingers weg te poetsen.
Er was geen rolhouder, daarom plaatste ik mijn toiletpapier op de spoelbak. Als je twee rollen op de twee kanten van een spoelbak zet, lijkt een wc net een monster met twee ogen en een hele grote mond, met de deksel voor extra dramatisch effect.
Ik probeerde even snel te plassen met de deur open. Het lukte niet en ik durfde niet te vragen of je de kamer uit wilde gaan. Ik deed de deur dicht. De makkelijkste oplossing.
Er was maar één stoel, En vanaf het moment dat je met z’n tweeën bent, is één stoel te weinig. Ik dacht: het moet niet al te moeilijk zijn om er nog een te vinden.
Ik pakte een tweede rol wc-papier en gooide de rest op het aanrecht. Ik ging zitten op de rand van het bed in de deuropening.
Er was iets geks met deze kamer, hoe klein ‘ie ook was.
‘We hebben twee toiletten,’ zei ik, wijzend op de deur in de slaapkamer.
Je rook aan de trui in je handen, zoals je wel vaker aan kleren rook. Kennelijk was de geur aangenaam. Ik keek naar mijn wc-rol, bracht hem naar mijn neus en probeerde een speciale geur te ontdekken. Het was gelukkig geen geparfumeerd toiletpapier; dat deed me denken aan de Franse koningen uit de pruikentijd, die zich nooit wasten en om lekker te ruiken een geurtje op deden. Zij hadden vast graag geparfumeerd toiletpapier gebruikt.
Je keek me aan en knipperde met je ogen. Ik kroop over het bed en kuste je halverwege in je nek en trok me aan de klink van de wc-deur omhoog, van het bed af. De tweede wc was groter en bovendien betegeld. Een royale wasbak, een douche, maar geen douchegordijn. De tweede rol wc-papier kwam te staan op de spoelbak in de tweede wc.
Buiten begon het te regenen en ik realiseerde me dat het serieus was geworden. In de winter zou ik je snot proeven en in de zomer zouden we aan elkaar plakken en ver van elkaar slapen om niet oververhit te raken, maar samen waren we vanaf nu altijd.
Ik kuste je op je oor, sabbelde aan je oorlel. Ik ademde uit mijn neus in je oor, een bijzonder intens geluid wanneer je je ogen dicht hebt en afwacht wat de ander gaat doen. Als iemand je oor likt klinkt het alsof er puree wordt geprakt.
Je ademde diep in en trilde lichtjes bij het uitademen, alsof je het heel koud had..
Ik fluisterde: ‘Je oor is net een stukje boterkoek.’
Jij vond van niet.
We zaten op de rand van het bed, je zei: ‘Ik wil in het bed.’
Je kroop onder de deken. Ik ging met mijn hand onder je trui, onder je T-shirt, onder je beha en frummelde aan je linkerborst.
‘In films hebben ze constant strakke tepels, bij mij gaat het meteen weer weg,’ zei je.
Ik ging naast je liggen en keek naar het plafond en naar het peertje dat aan een stroomdraadje bungelde. Ik luisterde naar je adem, naar de regen die tegen de ruit te pletter sloeg en naar een geluid in de andere kamer, alsof er iets druppelde. Ik deed mijn ogen dicht en zag roze en groene vlekken, draaide me naar je om en kuste je op je wang, op je mond, nog meer op je mond, op je voorhoofd, in je nek. Ik kneep mijn ogen nog strakker dicht, maar de vlekken bleven. Nu liet ik je los, ging op de rand van het bed zitten en volgde ik de druppels. Er was een plasje water ontstaan op de tafel.
‘Het dak lekt op het brood,’ fluisterde ik.
‘Misschien woont er boven een Turkse meneer die altijd in bad zit,’ zei je.
Ik bedacht verschillende Turkse meneren. Er was een hele schone, die met een grote borstel zijn rug aan het schrobben was. Op een tafeltje lag een keurig opgevouwen handdoek met een geel zeepje in de vorm van een citroen. Er was ook een vieze, met een dikke snor, die achterover over de badrand hing en onder water een scheet liet. Hij spuugde op de grond van zijn badkamer, een grote groene fluim.
Tenslotte pakte ik een pannetje en dat ruilde ik met het brood. Ik legde er een sok in om het lekgeluid te dempen. Mijn sok. Onze sok.
Je zei: ‘Het licht moet uit. In het donker ben je alleen jezelf.’
Ik vroeg me af wat een mens nog meer is in het daglicht, of in het neonlicht of het kaarslicht, maar schakelde braaf allebei de lichtknoppen om. Nu viel er alleen nog een brede straal licht uit het raam op het bed. In dat halfduistere landschap vormde je gezicht het absolute hoogtepunt. Je glimlachte en ik glimlachte terug. Zo hoort dat als iemand in een bed op je wacht en je doet het licht uit. De vlekken waren er nog steeds, voor mijn ogen. Soms vind ik dat ik moet onthouden dat ik vlekken zie, zodat ik kan kijken hoe lang ze blijven. Maar als ik er dan eindelijk aan denk wat ik ook alweer wilde onthouden, zijn ze weg.
Je zei: ‘Het moet nog donkerder, je moet het gordijn dichtdoen.’
Ik keek naar buiten, tussen de regendruppels door. Er stond een lantaarnpaal precies voor het raam. De straat was leeg, niemand had zin om zo laat nog in de regen te lopen. Ik deed het rolgordijn omlaag, dat door de halfduisternis even blauw was als de muren en de vloer. Het rolgordijn was het sjiekste onderdeel van ons nieuwe huis. Het terugrolmechanisme deed het perfect. Met het gordijn naar beneden was de hoeveelheid licht in onze slaapkamer teruggebracht tot het nulpunt.
Ook de groene en roze vlekken voor mijn ogen waren weg.
‘Hoe moet dat los?’ vroeg ik. Het ging over je beha. Jij deed het voor mij.
Terwijl je met mijn piemel speelde, dacht ik aan videogames.
Ik vloog met behulp van mijn magische cape door het prachtige blauwe luchtruim en verzamelde waardevolle gouden munten. Over de wolken liep ik, door woestijnen, door oerwouden, over een eiland van chocolade. En onder water zwom ik kwaadaardige vissen voorbij. Ik was helemaal de man, met een dikke snor en een rode overall, op een episch avontuur om de prinses en haar koninkrijk te redden van de gewisse ondergang. Mijn fantasie bleef steken in een speelveld met een wandelende rups en appelbomen.
Ik schoot op het zwoele ritme van pure snelheid over zwevende magnetische circuits, ver boven de bewoonde wereld. Ik spaarde turbo’s , gleed over geïntegreerde tankstationbaanvlakken om mijn krachtreservoir bij te vullen en bestuurde ondertussen mijn hyperfuturistische hovercraft naar mijn beste kennen en kunnen, Terwijl ik mijn meest vaardige tegenstander passeerde, luisterde ik in mijn hoofd aandachtig naar het bijbehorende geluid.
Ik noteerde twee kreten. ‘Voor het eerst.’ ‘Geluid inhalen wagens.’ Er bestond geen term voor het sonische effect van twee razendsnelle voertuigen die langs elkaar vliegen, simpelweg omdat er nooit eerder een game was met een speciaal geluid voor een dergelijke gebeurtenis. Ik voelde me verplicht om zelf een passend woord te verzinnen: inhaalgeluid. Heel Nederlands en heel voor de hand liggend, maar effectief. Het was de eerste en laatste keer dat ik de term uitsprak.
Ik ging met mijn vingers door je haar en vroeg me af of je zomaar zou stoppen, zonder dat het klaar was. Je ademde uit je neus, ik hoorde het en voelde de warme lucht op mijn buik. Mijn gedachten speelden met open vragen. Was jij er al toen ik alleen nog maar videogames speelde? Waarom kende ik je toen nog niet? Wat deed je toen je niet bij mij was? Was je leven anders zonder mij? Ben ik iemand anders geworden sinds ik jou heb ontmoet? Voelt mijn leven vóór jou nu zover weg omdat degene die ik toen was nu niet meer bestaat?
Mijn gedachten gingen terug naar oude sportgames, waarin je zo snel mogelijk op de knoppen moet drukken om de sprinter als eerste over de finishlijn te krijgen. Zo snel dat het pijnlijk wordt en je vlak voor de streep uit wilt roepen: ‘Vingers! Laat mij niet in de steek! Vingers! Trommel door op die rode stukje plastic rubber en contactplaat! Vingers! Hou vol!’
Ik hapte naar adem.
‘Ik veeg het wel af met je oude spijkerbroek,’ zei je, terwijl je het lichtknopje omzette.
De hoeveelheid licht was overweldigend, niet alleen voor mijn ogen maar ook voor mijn ziel, die door de substantie op mijn buik ernstig werd blootgesteld.
Ik kneep mijn oogleden samen, probeerde niet naar beneden te kijken, ik zei: ‘Daar zijn oude spijkerbroeken voor gemaakt. Toen ze nieuw waren zeiden de makers: “Als deze oud zijn, gebruiken de mensen ze om plakkerig spul af te vegen.”’
Je stond in je blote billen bij de boekenkast en doorzocht de ongeordende spullen tussen de planken.
‘Ik kan natuurlijk ook wat wc-papier pakken,’ zei je.
En toen had ik het ineens erg koud.
Toen we voor het eerst op deze kamer kwamen, woonde er iemand anders. Ze zat doodstil in een hoekje twee eitjes te bewaken. Een duif, binnengekomen via een raam op een kier. De mevrouw van beneden was niet meer zo mobiel, ze was al weken niet boven geweest.
Het beest had overal zitten poepen, we hadden het goed schoongemaakt, maar je rook het nog steeds. Ik had hem met een theedoek gevangen en door het raam naar buiten gegooid. Nu mochten de twee raampjes aan weerszijden van ons huis niet meer open, want de duif kwam nog wel eens terug. Even kijken hoe het met de eitjes was, maar die had jij weggegooid. De theedoek had ze gebroken.
Niels 't Hooft : Toiletten, Em. Querido's Uitgeverij, € 10,95