I

1
Alexander Rothweill

De sneltrein van zondag 25 juni van het jaar 1944 arriveerde niet om 17.04 uur precies op het Estación del Norte, zoals de grauwe vellen van de dienstregeling in Bilbao aan gaven, maar pas in de ochtend van de maandag daarop. De exacte tijd van aankomst bleef onduidelijk. Alle stationsklokken stonden stil op tien minuten over drie. Tussen de gehaaste reizigers liep Alexander Rothweill.

Kort na vertrek was de trein tot stilstand gekomen. Het gesis en het gedreun van de wielen waren weggestoven over het dorre, grijsbruine heuvelland. Na ongeveer een halfuur was de trein in een doodse stilte uit zichzelf gaan rijden. Enkele kilometers verderop klonk een reeks knallen, waarna de trein in nieuwe stilte over de rails gleed, totdat de wagons elkaar botsend op de plaats hielden en tenslotte in een siësta verzonken. Tegen het eind van de middag tufte op het parallelle spoor een locomotief langs met een werkwagen. Kerels klommen op de trein, schroefden dekplaten los en gingen dapper aan het werk. De reizigers, die de duisternis zagen vallen, berustten erin dat ze minstens een deel van de nacht in de trein moesten doorbrengen. In het stervensdonker trok de trein bijna sluipend van schaamte verder. De stapvoetse voortgang, die men eerst interpreteerde als een voorzichtig testen, bleef het tempo waarin gereisd werd.
Alexander Rothweill werd aangestoten door een man met ruige wenkbrauwen en kleine, diepliggende ogen, die met bezorgde knoflookstem opmerkte dat vertraging beter was dan zo’n treinongeluk, januari, de tunnel bij Leon. Alexander knikte. De daaropvolgende vraag, waar hij vandaan kwam, veinsde hij niet verstaan te hebben.
`Honderden doden,’ wierp de man er als een troefkaart achteraan.
Veel reizigers in deze dure wagon waren in slaap gesukkeld. De trein bereikte een dorp en een langswandelende conducteur toeterde rond dat men desgewenst de trein kon verlaten. Iedereen bleef zitten. Wat moest je in het donker in een kolenbrandersdorp waar iedereen met messen rondliep, zei het apengezicht. Alexander gaf hem groot gelijk.
Tegenover Alexander Rothweill zat een jonge vrouw in een paillegele lange mantel, een hoed in dezelfde kleur. Een voile lag stug over haar hoed. Ze droeg dunne kousen, wat in deze armoedige tijd hoogst ongewoon was. Ze was te kwetsbaar voor het ruwe vervoermiddel, te chic voor de zwarthandelaren die om haar heen zaten. Haar Rival-lippenstift kon katholieke en fascistische fanatici uitdagen, die de vrouwen hardhandig de Spaanse moraal bijbrachten en van de mode van het frivole en joodse Frankrijk afhielden. De nacht sjokte naast de trein verder en na langdurige, onverstoorbare lectuur, kaarsrecht op de houten bank, had ze haar hoofd tegen de harde leuning gelegd. Het gezicht kreeg per kilometer een vochtiger uitdrukking, haar mond zakte open. De angstvallig knellende greep om haar tas verslapte. Het boek bleek een Duitse roman te zijn.
Het zal tegen middernacht geweest zijn dat Alexander Rothweill, in een dommel die met een lichte schok versprong naar een staat van stille waakzaamheid, opmerkte dat de onopvallende man schuin tegenover hem met nauwelijks zichtbare schokjes opschoof tot vlakbij de lichtgekleurde jas van de jongedame. Uit een versleten colbert kroop een hand. Om beurten functioneerden de vingers als voelhoren. De hand gleed over de mouw van de jas, verdween in de tas die het laatste halfuur onbeschermd op de dij van de vrouw rustte, nam in de tas een bocht, stuurde alle voelhorens op dwaaltocht en kwam er met hetzelfde minutieuze slakkentempo uit als waarmee hij erin gekropen was. Tussen twee vingers zat een portemonnee. De hand voltooide zijn tocht en schoof in het colbert van de eigenaar. Alsof het afgesproken werk was, wierp op dat moment de chimpansee zich op zijn andere zij. Er schoot een fleppende wind los. Niemand reageerde. Iedereen sliep. De slak met de portemonnee raakte diepgevroren. Na vijf minuten sloop de onopvallende weg.
Omdat Alexander Rothweill, buitenlander, die met hoge toestemming in Spanje verbleef, er beter uitzag dan de inwoners van deze streek en omdat zijn driedelig kostuum en glad geoliede haren indruk maakten, slaagde hij erin de dief met een zacht, autoritair gesist bevel op een tussenbalkon staande te houden. De man droeg zijn broek zonder riem zo hoog opgetrokken, dat de lange gulp strak stond over een enigszins bollende onderbuik. De slecht geknoopte stropdas was in de broekband gestopt. Zijn colbert hing open. Om zijn hoed zat een brede zwarte band.
Alexander haalde een leren hoesje uit zijn vestzak, tikte het met zijn duim geroutineerd open en toverde een identiteitskaart naast zijn rechteroor. In wat slordig Spaans zei hij dat hij `lidmaat’ was van de Franse politie. Een stap naar voren zodat hij intimiderend dichtbij de Spanjaard stond. Hij drukte zijn vuist naast het Spaanse hoofd tegen de wand. Alexander sloeg het voorpand van het colbert open, waarna hij het gestolene voorzichtig (vingerafdrukken!) te voorschijn trok. Tien seconden moest Alexander zijn aandacht bij de portemonnee houden (wie reisde er in dit land in godsnaam met zoveel geld op zak?), voordat de dief de sprong naar het volgende rijtuig waagde. In de mening dat hij de Franse politie te slim af was, klapte hij de tussendeur hard achter zich dicht. Alexander glimlachte; de buitloze dief moest zich verschuilen in een rijtuig vol stinkende armoe. Dubbel vol, dubbel stinkend, want het rijtuig daarachter was afgesloten in verband met een gevangenentransport. Hij schoot een toilethokje in, stak het geld uit de volle portemonnee in zijn colbert, gooide het compromitterende voorwerp zelf door het gat op de rails en stak het politiedocument in zijn zak. De jonge vrouw sliep. Dat scheelde hem een moeizame uitleg.

Tegen het ochtendgloren schokte de trein de slapende passagiers wakker. Alexander greep naar zijn hoofd. Plakten zijn ingevette haren elegant op de juiste plaats? De vrouw tegenover hem graaide in een korte paniek om zich heen, vond de hengsels van haar tas. Hij schatte haar op een jaar of achttien, hoogstens twintig. Haar gezicht deed hem denken aan Japanse doorschijnende kommetjes. Een voor deze landstreek opvallend lichte huid.
Omdat enkele reizigers, kennelijk van buiten de stad, de streek herkenden (een wijnhuis in een bocht, een geitenpad, de vorm van de heuvels), zocht iedereen zijn bezittingen bijeen. De bestolen dame keek naar buiten, terwijl haar handen, als lazen zij braille, over het leer van haar tas liepen. De apenwenkbrauwen schoten omhoog en omlaag. De man rekte zich uit. De linkerelleboog stootte Alexander in het gezicht. Chimp zette zich schrap op zijn hielen. Met een bons viel hij op de houten bank terug. De vingers van de dame tegenover Alexander stopten midden in hun lectuur, deukten onderzoekend de tas in en schoten naar binnen. Daar sprongen ze rond, driftig op zoek, totdat ze uiterst traag uit de tas werden teruggetrokken. Alexander verbaasde zich erover dat de vrouw gedurende de hele scène naar buiten bleef kijken, haar rug strak tegen de houten leuning gedrukt.
Ofschoon ze bijna struikelde over de benen van de aap en door de schokkende bewegingen gedwongen werd zich vast te grijpen aan vreemde reizigers, en aldus naar links, naar de kop van de trein stuntelde, liep zij bij terugkomst veerkrachtig en zelfbewust door naar de staart van de trein. De man stootte Alexander aan en ontblootte het wasgele wit van zijn ogen. Die zoekt iets, zeiden de knikkers.
Alexander Rothweill aarzelde. Hij berekende de kans in een hysterische beschuldiging verwikkeld te raken. Hij dacht aan een lastige conducteur. Hij overwoog de mogelijkheid van `grises’, leden van de Policia Armada die de gewoonte hadden uit de lucht te vallen. Zijn buurman draaide zich naar hem toe, legde een hand (dikke vingers, olijfolie, manchegovlekken) op de dij van Alexander, terwijl hij hem op de man af vroeg of mijnheer uit Frankrijk kwam. Hij keek alsof hij een trigonometrisch probleem had opgelost. Zonder te antwoorden stond Alexander op. Omdat de zwarte, gevlekte schoen schuin naar voren stond, zette Alexander, niet eens per ongeluk, de hak van zijn eigen caramelbruine full-brogue op de wreef, wankelde zijn lichaam een andere kant op zodat zijn volle gewicht op de voet rustte en hinkte met de schommel van de trein mee. Hij bood zijn verontschuldigingen aan. Het gezicht van de ander vertrok in een zuigende beweging.
Helemaal achterin de trein trof Alexander zijn medereizigster aan. Een groep boeren had plaatsgemaakt voor haar en kauwend op eikenbladeren zaten ze op hun in doeken geknoopte spullen in een halve cirkel om haar heen, hinderlijk starend naar die chic. Zij keek naar de rails die traag onder de trein te voorschijn kropen. De ketting waarmee de laatste deuren waren afgesloten, rinkelde in een constant traag tempo. Alexander sprak zacht. Hij wilde zich niet opdringen. Hij had gemerkt dat er iets mis was. Het kon zijn, dat zij liever alleen gelaten werd. In dat geval speet het hem dat hij gestoord had. Als hij kon helpen, zou hij graag horen op welke manier. De zwijgende boeren bewogen op dezelfde cadans.
`Ik ben bestolen,’ zei zij.
Hij zag dat ze jonger dan twintig moest zijn. Wist zij door wie?
`Ik verdenk die reiziger met die zwarte hoed. Die zat naast mij. Ik kan hem nergens meer vinden.’
`Waarom roept u de conducteur er niet bij?’
Het koor kauwde eikenloof. De trein reed wat sneller. De twee hoge tikken van de ketting volgden met korter interval op de lage bonk. Had ze genoeg geld over om thuis te komen? Ze bleef stil. Alexander haalde een biljet uit zijn portefeuille. Ze moest er niets achter zoeken. Ze tuurde naar buiten waar enkele snelwegen uit de heuvels daalden. Hij drong aan. Ze accepteerde het met een glimlach.
`Mag ik u trakteren op een kop koffie? Ik weet wel een adres. We nemen er broodjes bij. Of die heerlijke canutillos.’
De boeren raakten in grote opwinding toen de chabolas, de uit afval gebouwde krotwijken, in zicht kwamen. Hoogste tijd voor Alexander zijn koffer te halen. Hij stelde zich voor. Zij heette Pili Eguren.

Omdat hij besloten had zijn koffer voorlopig in het bagagedepot achter te laten en omdat hij tijd verloor met het aanwijzen van de geschiktste plaats voor het loodzware kreng (een snelle blik in een spiegelende reclame of hij er niet erg verfomfaaid uitzag), had hij eerst niet in de gaten dat zij de hal overstak als een voortvluchtige die een aangename reisgenoot had getroffen, maar na de reis liever haar anonimiteit terugkreeg. Vlak voor een paar bedelaars sneed hij haar de pas af. Ze wist zeker dat ze niet een conducteur wilde inlichten? Voor ze antwoord kon geven, klonken er politiefluiten. De trap naar de zijgevel werd vrijgemaakt voor het vervoer van de geketende gevangenen.
De stad lag niet ver van de zee. De rivier kroop slingerend langs de villawijken en de fabrieksterreinen. Een geur van zilt en schelpdieren hing tussen de hoge gebouwen. Alexander vatte met zachte hand haar elleboog. Met haar vrije hand frommelde ze aan haar ketting. Terwijl hij haar langs de bedelaars loodste, stelde hij het Café Boulevard voor.
Aan een zuil midden op het Plaza Circular waren de bovenleidingen van de tram vastgemaakt; de stenen vrijheidsheld bovenop had de taak de trams met zijn uitgestrekte rechterarm butsvrij over het kruispunt te leiden; op de sokkel was met zwarte verf het portret van de huidige vrijheidsheld gespoten, `Caudillo de Dios y de la Patria’. Net toen Alexander zijn commentaar op Bilbao wilde afronden met een cynische telling van de lange rij wachtenden verderop bij de ambtenarij (vergunning, stempel, handtekening), rukte Pili Eguren zich los, riep iets over de tram en stak gehaast en niet zonder gevaar het plein over.
Hij zag dat zij door behulpzame handen het afgeladen voertuig in getild werd. Op de achterbumper kleefden vijf mannen aan de buitenzijde van het voertuig, de vingers klem achter de strips van de ruiten. Op de vraag waar die lijn 1 heen ging bromde een man met een ingepakt hondje dat er voorlopig geen lijn 1 reed. Elektriciteitsbesparing. Op het dek van het hondje stond de waarschuwing `oneetbaar’ geborduurd; er dwaalden veel wanhopigen die hondjes als lekkernij beschouwden.

In Café Boulevard keek hij een uur lang naar haar uit. Daarna bestelde hij koffie. `Cortado.’ Hij voelde zich langzaam ontspannen. Een opzichtig geklede man liep het café binnen, wandelde de zaal door en verdween door een deur achterin. Enkele minuten later een volgende. In korte tijd zeven. Navraag bij een kelner leverde een onderzoekende blik op en de dooddoener: `Vergadering.’ Interessant, dacht Alexander Rothweill.
Hij liep naar zijn kamers vlakbij de rivier. Hij trok zijn jasje uit, knoopte zijn vest los en pakte voorzichtig zijn haren beet. Toen hij zijn met Trumper’s Pomade ingevette pruik op het marmeren blad van de wasbak had gelegd, wreef hij driftig over zijn glanzende schedel die al uren verschrikkelijk jeukte.

Terwijl Alexander Rothweill de scheerzeep aanbracht, dacht hij aan Pili Eguren. Aan wie moest zij verantwoording afleggen? Hoe zou zij het tekort verklaren? Had zij een telefoonverbinding aangevraagd en wachtte zij gespannen op de barse stem van een hooggeplaatste? De interlokale stoorgeluiden konden haar mogelijk troosten: lokkende takadoem- en zz-zzz-ritmes van Jenseits, gespreksflarden over olijfolie tegen een achtergrond van oceaangeruis. Of werd de bestolene op adequatere wijze getroost? Sloot zij de gordijnen? Wierp zij haar jas met de kleur van muskuseend over een stoel? Hoe zag diegene eruit, die zij naar zich toe trok, van wie zij accepteerde dat hij haar jurk harmonicagewijs over haar heupen omhoogschoof? Pili Eguren.
Café Boulevard. Vergadering. Dat betekende: machtsverdeling, kwetsbaarheid, manipulatie, eigendunk. Werk aan de winkel. Pili Eguren verdween naar de achtergrond.

_


De ruimte van het Gran Café Boulevard was ingericht in de stijl van de late negentiende eeuw met glanzend notenhout in veelhoekige vormen, spiegels en lichten in schalen van amberkleurig en rosvaal glas. Bij de uitstalkasten met de glas-in-loodpanelen las een man de Correo Español. Nadat Alexander de onbekende krantenlezer een tijd geobserveerd had en hem als prooi geschikt had gevonden, liet hij hem een brandy bezorgen. De man kwam met een hautaine blik overeind.
`U moet zich vergissen.’ De Spanjaard, met het glas in de hand, monsterde het kostuum van de schenker. ‘Kennen wij elkaar?”
Alexander stond op. `Van vanmorgen. U had zeer pijnlijk over mijn uitgestoken been kunnen struikelen. U had uw vergadering kunnen missen,’ blufte hij.
`Ik herinner me niet...’
`Ik hoop dat u een prettige bijeenkomst heeft gehad.’
Terwijl Alexander en de onbekende, middenin de ruimte tegenover elkaar pronkend, tot drie keer toe op bijna komische wijze uiteen werden gedreven, omdat een kelner met vol blad erlangs moest, waarna ze weer als tapdansers naar elkaar bogen, en terwijl Alexander midden in een zin stokte omdat hij dacht dat Pili alsnog binnenkwam, voerden zij een schijngesprek, waarbij de een volhield dat hij die ochtend lomp in zijn stoel had gehangen en de ander zich verwonderd afvroeg met wie hij verward werd.
`U accepteert mijn brandy in elk geval,’ drong Alexander aan. Zij stelden zich voor. De ander keek op bij het horen van de buitenlandse naam. Even een stilte. Enrique Poza gaf de tip dat dit tafeltje ongunstig stond. Straks zou het veel drukker worden. De tafel bij de kasten stond prachtig in de luwte. Alexander hoorde dat Enrique Poza een niet onaanzienlijke collectie archeologische en etnografische bijzonderheden beheerde. Niet altijd toegankelijk voor publiek in verband met de franquistische bepalingen voor de regionale talen. De waardevolle boeken moesten wel bewaard worden. Onder toezicht uiteraard. De geïnteresseerde luisteraar bood een tweede consumptie aan.
De kennismaking werd bezegeld met gambas a la gabardina en met donkergele wijn. Alexander werd uitgenodigd de collectie te bekijken. Hij accepteerde direct en haalde, terwijl hij opstond, uit zijn vestzak een duur gedrukt visitekaartje. `Dr. Alexander Rothweill. Universtät Köln. Gründung 1388’. Wat hij aan die oude universiteit uitvoerde, vermeldde het kaartje niet. Enrique Poza vergat te vragen of de `Universität Köln’ niet allang gesloten en mogelijk zelfs platgebombardeerd was. Hij stak het kaartje behoedzaam weg in zijn portefeuille.

Het water van de rivier stond laag. In de modder zochten mensen naar stervende schelpdieren. Een oude man schoof met een stok propjes uit het portiekje voor zijn winkel.
Enrique Poza leidde zijn gast langs oude scheepsmasten met kunstig ingesneden bijbelse of erotische voorstellingen naar een directiekamer. Op een wagentje lagen boeken over Baskenland in het Latijn, een van de eerste drietalige woordenboeken (Castellano, Bascuence y Latin), boeken met getekende handelsmerken en zegels, Bonapartiana en waardevolle oude zeekaarten. Doctor Alexander Rothweill mocht de interessante werken inkijken. Enrique Poza gaf graag uitleg. Na korte tijd kondigde de directeur aan dat hij zo terug zou zijn, de kostbaarheden waren in goede handen. Alexander duwde de deur iets verder open, haalde een mesje uit zijn colbert, trok met zijn nagel het vlijmscherpe lemmet naar buiten en sloeg de boeken open. Hij zocht snel. Kaarsrecht trok hij het mes over de pagina vlakbij de band. Het blad vouwde hij enkele keren samen en stopte het in zijn zak. De snee was zo aangebracht dat een bezoeker die het boek niet al te argwanend doorbladerde, de weggesneden pagina niet kon missen. Zijn warme belangstelling hadden bladen met officiële zegels, met stempels, met precieze formuleringen; één pagina met ingekleurde stadswapens, `realizados por R. Medel en 1859’. Toen Poza bij terugkeer snel zijn ogen over de stukken liet gaan, zat Alexander gebogen over een certificaat uit 1819.

Hoewel hij, vooral bij openluchtig weer, de ochtenden vrolijk doorbracht in Gran Café Boulevard waar hij de ijdele Enrique Poza ontmoette en waar hij lange tijd luisterde naar diens opschepperijen over de collectie Baskiana, over de gieren waar hij jacht op maakte langs de oevers van de Taag, over de guerrilla in de Valle de Arán, van waaruit die verdomde communisten Spanje opnieuw lastig vielen, liep Alexander tijdens de middagen in een gespannen stemming over de Gran Via in de richting van Pili’s laatste tram, waar de dure gebouwen vanaf de achterzijde uitkeken op het park, op de rivier beneden en op de groene heuvels aan de overzijde en waar in een van die gebouwen met de onverschillige namen Basterra, Regoyos en Salazar, Pili Eguren zich schuilhield. In zijn verbeelding werd haar gezicht bleker en smaller. Haar uiterlijk onderging een El Greco-achtige uitmergeling.

Tegen het eind van dat jaar zag hij tussen de gazons van het Plaza Elíptica het paillegeel van haar jas verdwijnen achter de kegelvormen van de ligusters. Voordat zij een straat in kon draaien, had hij haar ingehaald. Op het laatste moment aarzelde hij. Hij bleef tien meter achter haar aan lopen. Links, een plein over, een woonblok van roze steen, donkere houten erkers, balkons en boogramen. Alexander wachtte tot zij naar binnen was.

Pas in het begin van 1945 belde hij aan in de Colón de Larreátegui. Een meisje deed open. Of hij wilde wachten. Het kind knalde de deur in het slot. Pili Eguren droeg een donkere jurk. Iets met pastakrullen. Zij moest hem meteen herkend hebben. Zij was niet verbaasd dat hij haar had teruggevonden. Wel zag hij een blos opkomen. Wat zijn zelfvertrouwen herstelde. Zij maakte geen aanstalten hem binnen te nodigen.
Nee, ze had dat bedrag nooit teruggezien. Nee, het was haar niet bijzonder kwalijk genomen. Nee, ze had die man met die zwartgerande hoed nooit meer gezien. Allemaal ultrakorte antwoorden van haar kant, de ogen gezwart, de lippen vol glans, het donkere haar feilloos gekapt. Of zij de afspraak wilde nakomen in Café Boulevard?
Stilte. Zij wenste de vraag niet te verstaan.
Op de terugweg nam hij zichzelf een verhoor af. Haar gezicht stond in zijn geheugen gebrand, de rest vervaagde snel. Van de woning had hij niet meer gezien dan een halletje. Vaalwitte muursaus, saai gordijntje om een slordige hoek af te dekken, deur met matglas. Hij moest toegeven dat de jurk ook versierd kon zijn met `sacrale peplosbiezen’, of met `guirlandes van ereprijs’. Hij betoogde dat de twee volle minuten stilte dan wel zeer pijnlijk waren geweest, maar dat hij in elk geval niet als een of andere importune rozencavalier had staan wauwelen.
`Ik zal zien,’ had haar vage belofte op het laatste moment geluid.

Tot zijn verbazing verscheen Pili niet lang na zes uur in Café Boulevard. Hij vond haar mooier dan ooit. Zij liep tussen de tafels door waar mannen mus speelden, een populair kaartspel dat op late, halfdronken uren kon omslaan in de gevaarlijke alles-of-niets-gok-variant órdago. Zij glimlachte naar hem.
De kelners bedienden achterin een gezelschap, hij liep zelf wel naar de bar. Hij zag in de spiegels dat hij er messcherp uitzag. Aan hem niets gekreukts, niets kartonnerigs, niets te vaak gewassen, wat alle anderen zo kenmerkte. Rond Pili was een kring ontstaan. Men besefte dat het geen pas gaf een dergelijke dame alle zicht te benemen. Met zijn bestelling (wijn, olijven, een paar dure artisjokharten) begaf hij zich in de lege cirkel.
`Het was geen vlucht. Ik moest snel naar huis.’
Alexander knikte. Laat het geen gesprek over banaliteiten worden, bad hij. Laat ik in godsnaam het lef hebben iets wezenlijks aan te snijden.
`Ik wist niet dat het de laatste tram was. Zo vol. Zo vol. Iedereen duwde.’
Hij nam een artisjokhart, manoeuvreerde de prikker voorzichtig, hield zijn hand als lekbak onder de druipende olie.
‘Overal kerels. In de bocht tolden we over elkaar heen. Net kermis.’
Terwijl hij de artisjok proefde en een slok nam van de naar sherry smakende wijn, bekeek hij de vrouw tegenover hem die tussen de olijven zat te prikken. Het café raakte leger, men trok verder. Hij raakte haar hand aan. Reageerde ze schichtig, dan werd het niets. Ze liet haar hand (tussen twee vingers veiligheidshalve de prikker geklemd) door hem betasten. Hij draaide zijn wijnglas. Hij verzamelde moed. Hij had twee inleidende zinnen nodig. Meer niet. Twee zinnen om haar reactie te peilen, om in die tijd de juiste woorden te vinden voor wat hij daarna werkelijk wilde ontvouwen. De eerste zin zou luchtig zijn, een vrijblijvend intro over oude cafés, waar ook ter wereld, die als ze eenmaal uitgekozen waren als decor van een eerste ontmoeting, vaak levenslang bezocht werden en die dan almaar weemoediger getuigen werden van een onwankelbare trouw, of ze Quadri heetten, of Les deux Magots, of Gran Café Boulevard, of De vergulde Turc.
Tijdens het uitspreken van die eerste inleidende zin kwam een man het café binnen. Hij droeg een donker hidalgokostuum met in zijn revers een insigne, had een militair geknipt kapsel, probeerde kaarsrecht te staan als een toonbeeld van de sterke, nieuwe mens. Nadat hij met korte rukken van zijn vogelkop om zich heen gekeken had, liep hij door naar het tafeltje bij de donkerhouten kast met de kleurtjes, waar Alexander Rothweill juist ademhaalde voor het uitspreken van zijn tweede inleidende zin.
De nieuwkomer marcheerde naar de zijkant van de tafel. Met zijn rug naar het licht van het Arenal nam hij alles scherp waar. Terwijl die twee op het punt stonden hun wederzijdse verliefdheid uit te spreken, zagen zij zich plompverloren overschaduwd door een reusachtige lammergier.
`Profesor Alexander Rothweill,’ takketakte de roofvogel. Hij sloot de groet af met zijn hakken.
Alexander begreep dat hij er niet onderuit kon Enrique Poza te woord te staan. Omdat deze zag dat `profesor’ in gesprek was met een dame, gaf hij zelf de toon aan om bij het voorstellen de informele sfeer te benadrukken. `Mijn vriend Alexander. Mijn vriend,’ riep hij.
Dan Pili Eguren. Zij was geschrokken van de harde stem. Zij draaide zich naar de donkere figuur. Alexander zag een uitdrukking van ongeloof over haar gezicht vliegen. Ze trok wit weg.
Poza stond met uitgestoken hand. In zijn verwarring dacht Alexander eerst die klauw grijpen. Hij kwam zelfs overeind. Op hetzelfde moment zei hij haar naam, want hij wilde haar vragen wat er in godsnaam aan de hand was. Enrique Poza die, te laat, merkte dat hij stoorde bij een gesprek, verbaasde zich over de onelegante manier van voorstellen en keek de vrouw aan. Omdat hij een stap in de richting van Alexander had gezet, zat Pili in het volle licht. Een halve seconde had hij nodig om haar te herkennen. Hoorbaar snoof hij door zijn neus zijn adem naar binnen. Een ander licht in zijn ogen, een draai van de tafel af en een gearticuleerd `perdone’, wat als een vloek klonk. Hij liep rechtstreeks het Café Boulevard uit.
Alexander wist precies hoe gespleten het land was. Dat Pili Eguren en Enrique Poza tot twee verschillende partijen behoorden, zou hij afgaande op hun uiterlijk niet gedacht hebben. Dat ze elkaar kenden, dat zij persoonlijke vijanden waren, god in de hemel, hoe had hij daar rekening mee kunnen houden? Dag in, dag uit liep hij risico’s. Het toeval, die ongrijpbare duivelse figuur, kon hem altijd parten spelen. Wanneer hij een valse aanbeveling overhandigde en op basis daarvan een vergunning voor een of ander wilde verkrijgen, kon hij een ambtenaar treffen die op de hoogte was van een achterlijk symbooltje of van een historische handtekening. Wanneer hij een vals echtheidscertificaat overhandigde, kon de klant een onwaarschijnlijk uitgebreide kennis van kunsthistorische jaartallen en feiten hebben. Die toevalsduivel, dat angstaanjagende zwavelmonster, was onder de klakkende hakken van Enrique Poza ontvonkt en hing als stinkende rook tegen het plafond.
Pili stond op. Ze pakte haar jas en haar tas, draaide zich om en liep naar buiten. Op zijn roepen reageerde zij niet.
Alexander stond naast de tafel. Hoewel elk detail van zijn verschijning elegantie uitstraalde, hadden verschillende gasten begrepen dat hij ruzie met zijn vriendin of vrouw had gemaakt. Men nam hem afkeurend op. Alexander draaide zijn gezicht terug naar de tafel. Hij bleef staan als bevroren, omdat hij afgekapt was op het moment dat hij alles voor elkaar dacht te hebben. Met zijn onderarm over de rugleuning van de stoel, de vuist van zijn andere arm in zijn zij gedrukt, zijn colbert wijdopen, zijn vest van boven tot onder geknoopt, keek hij met een uitdrukking van intense spijt naar de plaats waar Pili gezeten had. Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd vlak onder de plaats waar zijn haren vastgeplakt zaten. Naast hem stelde iemand aan zijn tafelgenoten voor een spelletje órdago te spelen.

Tomas Lieske : Gran Café Boulevard
Normale prijs € 17,95, maar met kortingsbon verkrijgbaar voor € 15,95. Zie kortingen.