Martha Heesen is op 6 mei 1948 in Oisterwijk geboren. Toen zij na een paar jaar op de lagere school in haar geboortedorp niet kon aarden, ging ze naar een andere school in Tilburg. Daar volgde ze ook de Rijks HBS. Daarna verhuisde ze naar Amsterdam en ging Nederlands studeren met als bijvakken Japans en Italiaans. Na haar studie werkte Martha als vertaalster. Vooral veel boeken uit het Engels, omdat ze dat altijd veel las. Ze is pas op latere leeftijd gaan schrijven, meer omdat ze dat zelf leuk vond dan omdat ze van plan was het te laten uitgeven. Haar eerste boek Het Plan-stoffel verscheen in 1993. Ze kreeg drie jaar achter elkaar een Zilveren Griffel: in 2000 voor De vloek van Cornelia, in 2001 voor Mijn zusje is een monster en in 2002 voor Stekels. Nadat Martha twintig jaar in Amsterdam heeft gewoond, woont ze nu samen met haar dochter in Oegstgeest.
Martha Heesen over zichzelf: Wat moet ik nu over mezelf vertellen? Dat de melkboer en de schillenboer en de groenteboer nog met paard en wagen aan de deur kwamen toen ik klein was? Dat er buiten roodbonte koeien rondliepen en binnen roodbonte poezen, cyperse poezen en lapjespoezen? Dat er egels in de tuin woonden? Dat ik natuurlijk een hekel had aan school, waar ik toch leerde lezen en schrijven? Dat ik mijn ouders moest delen met wel drie broers? Dat ik stapels tuttige meisjesboeken en stoere jongensboeken door elkaar las? Dat ik een lieve grootmoeder had , die mij Goede Boeken in mijn handen stopte? Dat 'De kinderkaravaan' en 'De boten van Brakkeput' mijn lievelingsboeken waren? Dat ik het heerlijk vond om met mijn jongere broertje over de hei te zwerven? Dat ik altijd al van schrijven hield? Dat ik twee keer bijna ben verdronken? Dat ik in nu een groot, verwaarloosd oud huis woon met een lekkend dak, piepende deuren, geheime ruimtes en een tuin vol klimop? Dat soort dingen? Nee, wanneer je iets over mij wilt weten moet je mijn boeken maar lezen. Ik verzin ze van A tot Z en ze gaan écht niet over mijzelf, maar toch... Er sluipen almaar poezen mijn verhalen binnen. Je komt er ook verdacht vaak koeien tegen. Als je even niet oppast prik je je aan een egel. Veel van mijn hoofdpersonen zijn lekker enig kind. Ze zitten vaak op zolder, waar de wind tussen de dakpannen door blaast en waar het vervaarlijk kan lekken, en waar misschien wel Iets woont in die griezelige donkere hoek. En die muizen, die ritselen precies zoals de muizen die nu, terwijl ik dit schrijf, boven mijn werkkamer ronddansen. Die wonderlijke oude vrouw over wie ik schrijf, dat is precies mijn grootmoeder! Die ene nare tante lijkt wel erg veel op die nare juffrouw van vroeger. Niemand van 'mijn' kinderen vindt het écht leuk op school, ze zijn veel liever buiten, in een roeibootje op de vaart, op de hei of aan de beek, aan het strand bij storm, of bij de paardenwei. Van zwemmen houden ze niet zo. Eigenlijk vertel ik dus toch voortdurend over mezelf, maar dan op de leukste manier die je je voor kunt stellen. En je houdt er zomaar een rij boeken aan over! Maar het verhaal zelf verzin ik toch? Of niet soms? Ik bedenk eerst de plaats waar het zich afspeelt, een flat, een huisje in een dorp, met moestuinen aan de andere kant van de sloot, een stadshuis waar je eindeloos trappen op en af moet, een nieuwbouwwijk op het platteland. Zo'n plek komt zomaar bij me op, ik weet nooit precies hoe dat gaat, veel denkwerk komt er niet aan te pas. De hoofdpersoon dan, zet ik die dan tenminste helemaal zelf in elkaar? Nee. Die komt gewoon aangewandeld. Daar heb je Roelien. En dat is Staf. En Adam en Stazie komen langs dobberen in hun bootje. Daar in de verte fietst Faas, en hier is zijn broer. En het verhaal? Soms heb ik het gevoel dat de hoofdpersonen het maken. Maar het duurt meestal langer dan een jaar voor een boek af is, dus ik geloof toch dat ik het zelf ben die het schrijft.
|
 |
|