Gerrit Komrij werd op 30 maart 1944 geboren in Winterswijk, waar hij al jong een verzengende liefde opvatte voor jongens en boeken. Na zijn schooltijd vertrok hij naar Amsterdam, waar hij zich in het volle leven stortte en zijn grote liefde ontmoette. Vanaf zijn debuut in 1969 vestigde Komrij in hoog tempo een rotsvaste reputatie als begenadigd dichter. Nadat hij zich ook had bewezen als romancier, bloemlezer, columnist en toneelschrijver, ontvluchtte hij in 1984 het vaderland en emigreerde naar Portugal. Hij betrok een achttiende-eeuws paleis in de bergen van Tras-os-Montes. Na vijf jaar werden de heren uit het paradijs verdreven, en betrokken zij een hagelwit huis in Vila Pouca da Beira, een 'niemandsdorp' op een uur gaans van Coimbra. Voorgoed terugkeren naar Nederland, dat 'reservaat van pekelharingen', heeft Komrij geen moment overwogen. Zelfs niet nadat hij in 2000 werd verkozen tot Dichter des Vaderlands. Er is maar één plek waar hij zich thuisvoelt: een land in zijn hoofd, 'een land vertrouwd met leugens en fantomen'. Er zijn weinig dichters die zoveel inspiratie hebben geput uit het spel met de maskerade als Komrij. Met zijn virtuoos taalgebruik en vormbeheersing maakt hij de poëzie tot een vrijhaven voor de geest. Ontboezemingen of duistere zieleroerselen zul je bij Komrij niet aantreffen: 'De poëzie is geen boodschappenjongen. Een gedicht betekent niets. Hoe leger een vers, hoe volmaakter. Poëzie is subliem bedrog, lezer. Nobele zwendel.' Tussen de eerste en de laatste regel van een typisch Komrij-gedicht bestaat een elektrische spanning, een gesloten circuit, om de titel van zijn dichtbundel uit 1982 nog eens aan te halen. Een gedicht is een wereld op zichzelf en moet door zichzelf weer vernietigd worden. 'Een vers moet rond zijn om niet te bestaan', dichtte Komrij: 'Een vers is ballast. Zorg dat het vergaat.' Gerrit Komrij publiceerde vele dicht-, essaybundels en de romans Verwoest Arcadië, Over de bergen, Dubbelster en De klopgeest. In 1993 werd zijn essayistisch werk bekroond met de P.C. Hooftprijs. Op 26 januari 2000 werd hij gekozen tot Dichter des Vaderlands. Hij maakte bij die gelegenheid bekend dat hij een De Poëzieclub en het bijbehorend tijdschrift Awater oprichtte. In 2001 werd hij geëerd met een doctoraat honoris causa van de Universiteit van Leiden.